Ontduiken rijke ondernemers belasting via de maatpakken van Ogér? De fiscus denkt van wel

De Belastingdienst vermoedt dat de keten van luxe pakkenwinkels Ogér vermogende klanten helpt de belasting te ontduiken. De winkel, die volgens mede-eigenaar Sander Lusink onder anderen Mark Rutte en leden van het Koninklijk Huis aankleedt, zou facturen voor privé-uitgaven van ondernemers „omkatten”, waarna zij de kosten kunnen aftrekken van de belasting. Veel vermogende Ogér-klanten zouden daardoor „onrechtmatig fiscaal voordeel” hebben genoten bij de aanschaf van jasjes en overhemden.
Dat bleek woensdag tijdens een kort geding in de rechtbank van Haarlem. De fiscus eiste daar de complete administratie en ledenlijst van de exclusieve Ogér Business Club op, waartegen de modezaak zich verzet. De club staat centraal in een rechtszaak wegens mogelijke belastingontduiking. Zij kent verschillende zakelijke lidmaatschappen, waarvan de goedkoopste zo’n 6.000 euro kost op jaarbasis, en de duurste zeker 22.000 euro. Ondernemers krijgen hiervoor niet alleen toegang tot een aantal door Ogér georganiseerde netwerkevenementen, maar ook hoge tegoeden voor de aanschaf van kleding, bijna net zo veel als het lidmaatschap van de club kost.
Daar wringt de schoen. Bedrijven kunnen de kosten van lidmaatschappen aftrekken van de belasting, maar dat geldt niet voor de maatpakken die directieleden dragen. Die moeten hun merkkleding zelf betalen, van hun eigen salaris. Door shoptegoeden te verpakken als businessclubabonnementen zou Ogér belastingontduiking faciliteren, aldus de Belastingdienst.
Om te controleren of dit vermoeden klopt, en om Ogér-klanten forse naheffingen te kunnen sturen, vroeg de fiscus begin 2025 de complete ledenadministratie van de exclusieve club op. Ogér weigerde die te verstrekken, met een beroep op de privacy van de klanten, waarna een gang naar de rechter onvermijdelijk was.
‘Onnodig suggestieve dagvaarding’
Ogér is vernoemd naar de herenmodewinkel die Ogér Lusink in 1989 in de Amsterdamse PC Hooftstraat opende, destijds nog een gewone winkelstraat. De zaak, waar de goedkoopste pakken dezer dagen zo’n 800 euro kosten en waar Italiaanse jasjes voor een paar duizend euro over de toonbank gaan, werd een symbool van de nouveaux riches. Het bedrijf wordt inmiddels gerund door de zoons en neef van Lusink en heeft vestigingen in Den Haag, Rotterdam en Antwerpen. Ogér kreeg extra bekendheid omdat het de selecties van voetbalclubs Ajax, Feyenoord en PSV kleedt en 2.500 galatenues leverde aan de Koninklijke Luchtmacht.
De eigenaren van het pakkenbedrijf waren niet aanwezig in de rechtbank, hun advocaat Ron Jeronimus wel. Die foeterde over de „onnodig suggestieve dagvaarding” en een disproportionele „fishing expedition” door de Belastingdienst. Het opvragen van klantgegevens is volgens hem een „sleepnetprocedure” met in potentie ernstige gevolgen voor „het privéleven” van belastingplichtigen. Jeronimus: „Nu is het Ogér, maar wie is het morgen?”
Door shoptegoeden te verpakken als businessclub-abonnementen faciliteert Ogér belastingontduiking, stelt de Belastingdienst
Hoeveel businessclubleden zich zorgen moeten maken over een mogelijke naheffing, voor wat voor bedragen zij merkkleding hebben aangeschaft en wat voor netwerkevenementen zij hebben bezocht, wil het bedrijf niet zeggen. Wel verstuurde een externe communicatieadviseur na de zitting een verklaring waarin staat dat de Ogér Business Club „een lidmaatschapsproduct” is dat bestaat uit „een netwerkcomponent, een eventcomponent, een servicecomponent en een bestedingscomponent.”
De suggestie van de Belastingdienst dat Ogér „commerciële belangen boven belastingheffing zou stellen, is onjuist”, staat in de verklaring. Bovendien zijn de leden zelf verantwoordelijk voor hun belastingaangifte, niet Ogér, aldus advocaat Jeronimus.
Zakelijke verbindingen van betekenis
Een medewerker van de Belastingdienst vertelde in de rechtbank hoe de vermoedens bij de dienst waren ontstaan. Tijdens een reguliere controle had een inspecteur van het kantoor in Eindhoven bij een ondernemer opmerkelijke facturen van Ogér aangetroffen. Deze zakelijke kosten waren „niet goed verwerkt”. Vervolgens vond de belastingambtenaar een filmpje online waarin een van de broers Lusink vertelde dat het bij de Business Club óók om de „aankoop van kleding” draaide. Gealarmeerd vroeg de Belastingdienst vervolgens de complete administratie op bij Ogér.
De rechter in Haarlem begreep de verdenking van de fiscus wel. „Welke gek zou er nou 22 mille op voorhand aan Ogér betalen, om daar 83 procent shoptegoed, die na een jaar vervalt, voor terug te krijgen?”, vroeg hij aan advocaat Jeronimus. Het zou wat anders zijn als er maar „30 procent shoptegoed” tegenover zou staan, opperde hij. De Ogér-advocaat ging daar niet op in.
In de na afloop door Ogér verspreide verklaring staat een andere uitleg over de Business Club. Die zou draaien om het creëren van „zakelijke verbindingen van betekenis” die alleen kunnen ontstaan „wanneer ondernemers elkaar over langere tijd en in een besloten setting persoonlijk leren kennen, en op grond daarvan bereid zijn iets aan elkaar toe te vertrouwen”.
In een interview in 2024 met de podcast Ondernemend, voor zakenmensen die willen groeien in „business, mindset, sales en marketing”, gaf Ogér-topman Sander Lusink meer details. Hij legde daar uit dat de Business Club een „verlengstuk buiten de winkel” was, waar het niet alleen om kleding draaide maar ook om samen „golfen, padellen en zelfs wielrennen”. Met topklanten was hij zelfs „vier nachten naar Toscane gereisd”, een „once in a lifetime”-ervaring.
Het onderstreepte dat zijn pakkenwinkel „meer een vijfsterrenhotel dan een winkel” was. Niet voor niets liet „de top van Nederland” zich door Ogér kleden, inclusief „mijnheer Rutte” en „leden van het Koninklijk Huis”, aldus Lusink in de podcast.
De uitspraak volgt over twee weken.



