Handel op de beurs in Caïro? Daar hadden de Nederlandse beleggers weinig zin in

De zaak
De Egyptische miljardair Nassef Sawiris bezit net iets meer dan de helft van de aandelen in het Nederlandse chemiebedrijf OCI en wil het met zijn Egyptisch bouwbedrijf volledig overnemen. Daarvoor moet hij ook alle minderheidsaandelen in handen krijgen. OCI produceert vooral kunstmest en is aan de Amsterdamse beurs genoteerd.
Het OCI-bestuur – Sawiris is de enige uitvoerend bestuurder; andere leden van de board naar Angelsaksisch model hebben meer afstand – stelt een overname voor waarbij de minderheidsaandeelhouders hun stukken verruilen voor aandelen in het bouwbedrijf. Omdat het slecht gaat met de chemie in Nederland, zouden er voor OCI geen alternatieve kopers zijn.
Dat is tegen het zere been van die aandeelhouders. Want de waarde van aandelen die ze in ruil krijgen zou gering zijn, en ze zijn alleen verhandelbaar op de beurzen van Abu Dhabi en Caïro. Omdat ze vinden dat met hun belangen niet zorgvuldig wordt omgesprongen, en ze zo misschien wel honderden miljoenen euro’s kwijtraken, eisen ze bij de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof een onderzoek naar de voorgenomen overname.
De Ondernemingskamer blokkeert de transactie in januari en benoemt twee bestuurders van buiten die erop moeten toezien dat bij een eventuele overname de gerechtvaardigde belangen van alle betrokkenen worden bewaakt.
Bij de Ondernemingskamer
Op de vervolgzitting, afgelopen maand, waarbij zo’n vijftien advocaten en andere deskundigen namens de betrokken partijen aanwezig zijn, vertellen de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders dat ze de nodige twijfels hadden over de gang van zaken. Het OCI-bestuur had niet goed gekeken naar alternatieven voor de overname en te weinig oog gehad voor tegenstrijdige belangen. Omdat zo te weinig rekening was gehouden met de minderheidsaandeelhouders, hadden de twee bestuurders de overname willen tegenhouden.
Maar: onlangs heeft Sawiris de minderheidsaandeelhouders aangeboden dat ze niet alleen aandelen in zijn bouwbedrijf kunnen krijgen, maar dat ze hun stukken ook kunnen verkopen voor 4,10 per aandeel. Dat is een fractie boven de notering van het aandeel in de voorbije twee maanden. Omdat er veel minderheidsaandeelhouders zijn – en „de een wil dit en de ander wil dat” – en omdat die aandeelhouders nu konden kiezen, zijn de twee bestuurders akkoord gegaan met de voorgenomen overname.
Niettemin blijven veel minderheidsaandeelhouders en de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) bij hun verzoek aan de Ondernemingskamer om onderzoek in te stellen naar het beleid – al verzetten ze zich niet meer tegen de overname. VEB-advocaat Jacob Cornegoor: „We zijn realistisch en zien dat de twee bestuurders die de Ondernemingskamer benoemde al akkoord zijn. Maar we willen alsnog meer transparantie. Het is een principekwestie, vanwege vennootschappelijke hygiëne.”
Cornegoor noemt de OCI-zaak tot nu toe een dieptepunt in de Nederlandse corporate governance, goed ondernemingsbestuur. Nederland moet „geen speeltuin worden voor miljonairs”, zegt hij. „Grootaandeelhouders moeten schendingen van onze regels niet kunnen afkopen. Aandeelhouders moeten erop kunnen vertrouwen dat met hun belangen zorgvuldig wordt omgegaan.”
Peter Wakkie, advocaat van een van de niet-externe OCI-bestuurders: „We moeten in deze zaak de commerciële realiteit niet uit het oog verliezen. In het belang van de onderneming en de aandeelhouders moet je nu eenmaal kiezen uit de beschikbare alternatieven, en dat heeft het OCI-bestuur gedaan.”
Advocaten die namens het gehele niet-externe OCI-bestuur optraden, betoogden dat een court oppointed investigation in het Midden-Oosten een veel kwalijker reputatie heeft dan in Nederland. Verder onderzoek door de Ondernemingskamer zou opdrachtgevers en financiers van het bouwbedrijf argwanend kunnen maken, en dat zou zelfs het keuze-aanbod voor de minderheidsaandeelhouders in gevaar kunnen brengen.
Uitspraak: uiterlijk 7 oktober.
Het commentaar
Volgens Manuel Lokin, hoogleraar Ondernemingsrecht in Utrecht, mag een meerderheidsaandeelhouder geen misbruik maken van zijn macht. „Op grond van de wet moeten alle betrokkenen bij een onderneming tegenover elkaar redelijkheid en billijkheid in acht nemen. Het bestuur moet daarop toezien. Fuseren mag, maar het bestuur moet daarbij de belangen van de minderheidsaandeelhouders meewegen. De door de Ondernemingskamer aangestelde bestuurders vinden blijkbaar dat dat hier niet goed is gegaan.”
Lokin kan zich voorstellen dat belangenvereniging VEB aandringt op verder onderzoek, om meerderheidsaandeelhouders af te schrikken die zoiets ook willen doen. „En uit dat onderzoek zou ook wanbeleid bij OCI kunnen komen. Dan kunnen minderheidsaandeelhouders die hun aandelen vanwege de voorgenomen overname tegen een te lage koers hebben verkocht, een schadevergoeding instellen. Dat zie je wel vaker.”
De Ondernemingskamer is volgens Lokin uniek in de wereld. „Die kan verregaand ingrijpen en laten onderzoeken wat er feitelijk is gebeurd, hoe met alle betrokken belangen is omgegaan. Zo’n onderzoek naar een beursgenoteerde vennootschap kan buiten Nederland inderdaad al snel een negatieve connotatie krijgen.”
Aandeelhouders verdienen toch geld omdát ze risico lopen? Waarom moeten de belangen van alle aandeelhouders dan worden meegewogen? Lokin: „Het maakt uit of je risico loopt omdat de onderneming goed of minder goed draait, of dat de grootste partij zich ten koste van jou bevoordeelt. Stel dat je het bedrijf waarin je grootaandeelhouder bent, voor een hele lage prijs verkoopt aan je eigen bv. Dat die aandelen meer waard zijn, maakt voor jou niet uit, je blijft eigenaar. Als minderheidsaandeelhouders tegen diezelfde lage prijs moeten verkopen, maak je waarschijnlijk winst. Zou dat redelijk en billijk zijn?”


