Zo slaan Nederlandse exportkampioenen zich door de handelsoorlog

In een fabriek waar de productie zevenduizend uur per jaar voortdendert, leidt Hans Willemsen rond langs grote machines die draaiende worden gehouden door een legertje gele robots. In verschillende fasen worden in deze machines blokken staal verspaand, gehard, gestraald en geslepen tot kantelpersen. Dat gereedschap zul je in een doe-het-zelfwinkel niet tegenkomen, maar is bedoeld voor machines waarmee plaatstaal in allerlei vormen gebogen kan worden. Van grote platen voor bijvoorbeeld scheepsbouw tot miniscule plaatjes voor smartphones of medische apparatuur.
Die gereedschappen en hun klemmingen gaan vanuit deze fabriek in Lochem de hele wereld over. De acht grootste machinefabrikanten ter wereld behoren tot de klanten van Wila . Een bijna identieke fabriek heeft het Gelderse familiebedrijf in Louisville in Kentucky staan, vertelt Willemsen, al 38 jaar directeur van het bedrijf.
Heel opmerkelijk: die fabriek stond tot eind 2024 in Taicang, in de provincie Jiangsu in China. „Toen wij in 2018 besloten te investeren in een nieuwe fabriek buiten Nederland, kozen we bewust voor China”, vertelt Willemsen. „We dachten dat produceren dicht bij onze klanten in China een grotere impact zou hebben op ons verkoopvolume dan produceren in de VS. In Amerika hadden we via onze verkoopvestiging al een groot marktaandeel.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/18104307/190626ECO_2033766856_Export3_Hans.jpg)
Hans Willemsen, directeur van Wila
Foto Sammy Jo Muller
De fabriek draaide in eerste instantie goed, maar door covid veranderde de markt. „Chinese klanten schrokken terug voor investeringen in meer geavanceerde systemen en gingen weer terug naar conventionele machines die meer door medewerkers worden aangestuurd”, vertelt Willemsen. „Daardoor produceerden wij te veel voor de Chinese markt en gingen wij vanuit China exporteren naar Europa en de VS. We maakten te veel kosten voor het transport van staal en ander ruw materiaal naar China en voor dat van de eindproducten die daarna weer terugkwamen. Dat was nooit onze bedoeling geweest.”
In 2023 besloot Wila de fabriek te verhuizen. Sinds 2024 draait ze in de VS. Achteraf een gelukkige zet; de fabriek ging in bedrijf een half jaar voor Donald Trump de wereld verbijsterde met hoge invoerheffingen, waarvan de hoogte vervolgens voortdurend veranderde..
Verborgen kampioenen
Wila is zo’n verborgen kampioen waar Nederland er veel van heeft, industriële bedrijven die in hun niche een leidende positie hebben in de wereld. Verscholen op bedrijfsterreinen waar je achteloos aan voorbij rijdt, zijn ze in tientallen jaren uitgegroeid van veelal algemene metaalbewerkers tot technologisch geavanceerde bedrijven. In de decennia van globalisering zijn ze hun hele specifieke machines of installaties over de hele aardbol gaan verkopen en onderhouden.
Ze hebben hun wereld in de laatste paar jaar enorm zien veranderen. Door de invoerheffingen in de VS en door heviger concurrentie uit China. Samen met farmaceutische bedrijven en elektronicaproducenten werden de machinebouwers in onderzoeken van het CPB al voordat Trump hoge invoerheffingen afkondigde, aangemerkt als de groep die het kwetsbaarst zou zijn als er een handelsoorlog uit zou breken.
Dat is niet zonder betekenis. Machines zijn goed voor ongeveer een derde van de totale Nederlandse goederenexport. Daar vallen uiteraard de geavanceerde, miljarden kostende machines van ASML onder, maar ook de machines van de vele kleinere producenten.
Willemsen nam na afronding van zijn studie bedrijfseconomie eind jaren tachtig als 29-jarige van zijn vader het bedrijf over, dat zijn opa 94 jaar geleden als smid in het Gelderse Laren begon. Willemsen schreef zijn eigen businessplan, stak zich diep in de schulden en sloot coalities met grote machinebouwers. Hij zette in op technologie-ontwikkeling, zorgde ervoor dat Wila vanaf de jaren negentig zijn eigen patenten kreeg – bijvoorbeeld voor een veiligheidsclip – en verspreidde de activiteiten over de wereld.


In de fabriekshal van Wila maken robots gereedschappen en klemmingen.
© Sammy Jo Muller
Tussen 2010 en 2020 maakte Wila een sterke groei door. „Dat waren de mooie jaren, toen de internationale omgeving nog stabiel was. Onze klanten breidden uit naar alle continenten en wij konden met ze mee. We hadden nog geen besef van de afhankelijkheden waar we het nu allemaal over hebben.”
Wila had over 2025 een omzet van 65 miljoen euro. Wereldwijd werken er driehonderd mensen voor het bedrijf. In de eerste regeerperiode van Trump voelde Wila de druk al toenemen. „Er was de eerste deuk in het vertrouwen dat groei onbelemmerd zou doorgaan. En daar kwam de covidperiode nog overheen. Wij voelen dat de wereld multipolair is geworden en daar moet je als bedrijf ook doorheen kunnen navigeren. Mijn eigen werk als directeur is sterk veranderd, veel politieker geworden.”
Zijn bedrijf kwam niet ongeschonden door de afgelopen jaren. In 2024 daalde de omzet na jarenlange groei zelfs van 67,3 naar 55 miljoen euro, en leed het een klein verlies van bijna zeven ton. In het jaarverslag van dat jaar waarschuwde Wila in de continuïteitsparagraaf dat „de ontwikkelingen rondom de importheffingen en wereldwijde handelsoorlog een risico blijven voor de verwachtingen van 2025” en dat het over die ontwikkelingen continu in gesprek is met de huisbankier.
„Wij zijn gewoon transparant”, zegt Willemsen, „ook naar de bank, omdat het onze relatie en onze geloofwaardigheid versterkt”. Maar de dreiging is volgens hem afgenomen. Het matige 2024 is gevolgd door een goed 2025, zegt de directeur. Over 2025 is er nog geen jaarverslag. „Volgens ons strategisch plan moeten we groeien naar een omzet van 100 miljoen in 2032, als Wila honderd jaar bestaat”, zegt hij.
Uit enquêtes van ondernemersorganisatie FME ruim een maand geleden en in september vorig jaar bleek dat veel industriële bedrijven de pijn voelen van de handelsoorlog. Bijna de helft van de 156 deelnemende bedrijven hebben in het eerste jaar last gehad van de gevolgen daarvan, bleek uit de enquête die FME in april uitvoerde. Ze zien daardoor een gemiddelde omzetdaling van 3 procent.
Toch is dat minder dan in eerdere verwachtingen. In september ging ruim de helft van de deelnemende bedrijven uit van een omzetdaling van gemiddeld 14 procent. Een toename van concurrentie uit andere landen, zoals China, wordt ervaren door 28 procent van de bedrijven. In september was dat nog 20 procent.
Amerikaanse heffingen
In de assemblagehal van Geerlofs Koeltechniek in Rotterdam wijst Radboud Blom op een schakelkast die als onderdeel van een koelinstallatie klaarstaat voor verzending naar Little Leaf Farms, een slateler aan de oostkust van de Verenigde Staten. „Ze hebben lang gewacht met deze order”, vertelt de directeur van het bedrijf. „Nu is hun bestelling toch doorgekomen, ze willen hun uitbreiding doorzetten.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/18104527/190626ECO_2033766856_Export6_Radboud.jpg)
Directeur Radboud Blom van Geerlofs Koeltechniek in Rotterdam.
Foto Sammy Jo Muller
In het gesprek daarvoor in het kantoor van het bedrijf vormde Blom zijn duim en wijsvinger tot een rondje als antwoord op de vraag hoeveel bestellingen uit de VS Geerlofs nog had gekregen in de eerste maanden nadat Donald Trump op Liberation Day zijn hoge heffingen bekend had gemaakt. Net als andere industriële exporteurs heeft Geerlofs nu nog vooral last van heffingen op staal van 50 procent voor de onderdelen die in de installaties zitten.
Amerika is een belangrijk afzetgebied voor het bedrijf, waar „opa Geerlofs” ongeveer 93 jaar geleden mee begon. Die oprichter begon met het maken van ijsblokken en snel daarna met het importeren van koelinstallaties; als een van de eerste importeurs haalde hij die installaties juist uit Amerika. Die installeerde hij bij klanten in „het achterland”, zoals Blom het noemt, bij de bloementelers in het Westland.
Volgende generaties hebben de activiteiten uitgebreid naar koeling bij voedselproductie en zijn naar het buitenland gegaan. „Daar halen we nu 70 procent van onze projecten vandaan.” Geerlofs ontwikkelt en bouwt volledige koel- en vriesinstallaties, niet alleen voor bloementelers maar voor allerlei agrarische bedrijven. Van zaadtelers tot telers van appels, aardappels en tomaten, of bladgroenten als spinazie en tuinkers.
Een hele vloer in het Rotterdamse kantoor is ingericht voor software-ontwikkelaars. „Wij volgen en regelen de installaties vanuit dit kantoor op afstand en zo helpen we onze klanten”, vertelt Blom. Sinds enige tijd bouwt Geerlofs ook installaties voor vertical farming (boerderijtorens waarin op verschillende lagen wordt geteeld) en richt het de opslag van medicijnfabrikanten in.
Er werken zo’n honderd mensen bij het bedrijf. Dat is tegenwoordig in handen van het Franse Syclef, een holding van allemaal bedrijven gespecialiseerd in koel- en vriestechnieken die door een investeringsmaatschappij bij elkaar zijn gebracht.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/18115923/190626ECO_2033766856_Export10.jpg)
Koelinstallaties staan verpakt in de fabriekshal van Geerlofs Koeltechniek, klaar om naar de klant te gaan.
Foto Sammy Jo Muller
Little Leaf Farms was niet de enige Amerikaanse klant die even afwachtte wat Trump verder nog in gang zou zetten. „In het eerste kwartaal van dit jaar hadden we ineens twee keer zo veel bestellingen als we hadden verwacht”, zegt Blom. „Je kunt het een inhaalslag noemen. We zijn het een beetje gewend, we kennen hier twee standen: te weinig werk of te veel werk.”
De rekening voor de heffingen komt geheel bij de klant. „Onze klanten hebben, gek genoeg, nog niet gevraagd of wij ze met onze prijs tegemoet willen komen. Ik vermoed dat de Amerikaanse consument gewoon meer voor zijn aardbeien of tomaten gaat betalen.”
Voor Amerikaanse concurrentie vreest Blom niet. „Er zijn geen Amerikaanse bedrijven die zoals wij de koelinstallaties helemaal naar wens van de klant ontwerpen. En qua prijsstelling zijn wij niet heel veel duurder, ondanks de heffingen, het transport en vertraging bij de grens.”
Wel stijgen de administratieve lasten voor Geerlofs omdat ze nu de hoeveelheden staal en aluminium die in de koelinstallaties zitten moeten doorgeven aan hun Amerikaanse klanten. „Daarvoor moeten we al onze toeleveranciers bevragen. En onze klanten hebben advocaten ingehuurd die hun konden laten zien hoe we dat nu moesten opgeven.”
Aardappelen en potgrond
Verbruggen uit Emmeloord is al 28 jaar actief in de VS en dat is volgens directeur Wouter Verbruggen nog steeds de grootste exportmarkt voor de palletiseermachines die het in zijn fabriek in de Noordoostpolder maakt. Dat zijn machines waarmee goederen in grote en kleine verpakkingen efficiënt op pallets kunnen worden geladen. Vooral agrarische producten zoals aardappelen, uien of wortelen, maar ook diervoer of potgrond. „Ongeveer de helft van wat wij produceren ging altijd naar de VS, maar dat is gedaald naar ongeveer 25 tot 30 procent”, vertelt Verbruggen aan de telefoon.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/18120101/190626ECO_2033766856_Export13_verbruggen.jpg)
Wouter Verbruggen van Verbruggen Palletizing Solutions in Emmeloord.
Foto Sammy Jo Muller
Sinds de heffingen stellen Amerikaanse klanten hun investeringen uit. Ze wachten op betere tijden, denkt Verbruggen. „Maar ik vrees dat ze dan nog een paar jaar geduld moeten hebben.” Het Nederlandse bedrijf zijn begroting voor de komende jaren bijgesteld. „We hebben de Amerikaanse vestiging ingekrompen. Als je minder werk hebt, heb je ook minder mensen nodig.”
De dochteronderneming in de VS importeert de palletiseermachines en doet de verkoop, het onderhoud en verdere dienstverlening aan de tweehonderd Amerikaanse klanten, die samen vierhonderd installaties van Verbruggen draaiende hebben. Verbruggen betaalt zo dus zelf de invoerheffingen. „Wij proberen die kosten een-op-een door te schuiven naar de klanten. Maar in de onderhandelingen moeten wij soms ook inleveren. Onze marge neemt best wel af, ja.”
Verbruggen heeft wel eens overwogen om de productie te verplaatsen naar de VS. „Maar ons product is vrij complex en een nieuwe vestiging vergt een flinke investering met een lange aanlooptijd. Wij hebben hier een hele goede toeleveringsketen opgezet, dat zal in de VS niet zo makkelijk zijn. Op korte termijn zie ik dat niet gebeuren.”
De vrees voor meer concurrentie van Amerikaanse bedrijven is niet groot bij Verbruggen. „Recent heb ik ontdekt dat zij hun producten op hetzelfde prijsniveau aanbieden als wij, terwijl wij heffingen moeten betalen. Wij kunnen hier in Emmeloord goedkoper produceren dan zij in de VS kunnen. Zij hebben hogere loonkosten. Wij zien dat ook aan wat we onze eigen mensen daar aan loon betalen.”
Wila verhuisde binnen de VS om de loonkosten in de hand te houden, toen het had besloten om er een fabriek te vestigen. Die nieuwe fabriek kwam in 2024 niet in de buurt van Baltimore , waar de verkooporganisatie was gevestigd. Voor de nieuwe fabriek was Louisville in Kentucky, in de Rust Belt (de oude industriële zone in de VS) een veel beter vestigingsoord, besloot Willemsen. Daar zijn de lonen lager dan in het dure stedelijke gebied aan de oostkust.
Hoewel Wila zijn gereedschappen voor de Amerikaanse markt nu lokaal produceert, heeft het toch te maken met de heffingen. Het staal en ook andere grondstoffen komen uit Europa. „Gelukkig vormen die bij ons maar een klein deel van de kostprijs van het product, ongeveer 25 procent”, zegt Willemsen. „Het Amerikaanse staal heeft niet de kwaliteit die wij nodig hebben. Bovendien zien we dat de Amerikaanse staalproducenten hun prijzen verhogen. Het is nog steeds gunstiger om in Europa in te kopen dan in de VS, ondanks transportkosten en heffingen.”
Chinese concurrentie
De blik van Hans Willemsen op China veranderde toen hij er in de covidperiode tussen 2020 en 2023 woonde om de fabriek daar te leiden. Hij was het enige personeelslid met toestemming om tussen Nederland en China reizen. Hij hield er zijn huidige vrouw aan over.
In die tijd groeide bij hem een sterker besef over de grote verschillen tussen Europa en China. „Over de vechtlust om vooruit te komen die in China heerst. Mensen kwamen bij mij en vertelden mij dat ze wel wilden komen werken, maar dan wel minimaal elf uur per dag en zes dagen in de week. Ze wilden ook een variabele beloning. We gaven ze drie bonussen: voor niet-verzuimen, voor foutloos werk en voor het vermogen om alle taken in de fabriek uit te kunnen voeren”, vertelt hij. „We konden daar met een paar man permanent de fabriek laten draaien.”
In China zag hij na covid de markt veranderen. „Klanten waren tot de pandemie heel vooruitstrevend met investeren in hoogtechnologische toepassingen. Dat zijn ze in sommige sectoren zeker nog, maar op ons gebied zijn de Chinese klanten teruggegaan naar conventionelere machines, waarvoor ze meer arbeid inzetten.”


Foto’s Sammy Jo Muller
Wila wil zich juist onderscheiden met slimme technologie om weg te blijven van de prijsconcurrentie. In de fabriek wijst Willemsen op ledlichtjes, QR-codes en chips die ingebracht worden in de gereedschappen, zodat robots op basis van data die ze kunnen uitlezen weten wat ze moeten doen en machines supernauwkeurig kunnen instellen. „Het klinkt misschien onaardig, maar wij proberen de mens uit het proces te verdringen. Hier in onze eigen fabriek, maar ook bij onze klanten in Europa en de VS. Iedereen kampt met een tekort aan geschoold personeel. En je wilt je fabriek zoveel mogelijk door laten draaien, ook op tijden dat bijna niemand wil werken.”
Bij Wila draait de fabriek gemiddeld twintig uur per dag, zeven dagen per week. Of de klanten ook al zover zijn? „Die staan veelal nog aan het begin. Maar wij moeten de technologie klaar hebben, voor als de klant eraan toe is.”
Uit de enquête van FME van ruim een maand geleden bleek dat 61 procent van de bedrijven last heeft van concurrerende producten van buiten de EU, vooral uit China, die niet voldoen aan de strengere Europese productregels zoals veiligheidseisen. Zelf heeft Willemsen dat nog niet meegemaakt.
Maar een week na het bezoek aan de Lochemse fabriek stuurt hij een artikel op van een vakblad, waarin twee directeuren van Trumpf – een grote Duitse machinebouwer waar Wila al meer dan dertig jaar nauw mee samenwerkt – klagen dat de Chinese fabrikanten zich niet aan de Europese eisen houden en dat deze niet worden gehandhaafd. Omdat er volgens hen vaak ook nog sprake is van prijsdumping, spreken de directeuren van oneerlijke concurrentie met onveilige machines.
Ook Geerlofs Koeltechniek had een vestiging in China, maar heeft deze gesloten. „In China heeft de plaatselijke directeur mij ‘de attractie van geld’ leren kennen”, stelt directeur Blom. „In China koop je een installatie die je voor de helft van de prijs kunt krijgen, ook al weet je dat die veel sneller kapot gaat. Daarna koop je gewoon weer een nieuwe. Wij gaan daar niet tegenop bieden. Ik zie je nog wel terug, zeg ik dan tegen de klant. En dat gebeurt soms dus ook letterlijk.” In China had Geerlofs alleen kunnen overleven door in die Chinese ‘attractie van geld’ mee te gaan, constateert Blom. „We doen in China alleen nog complexe projecten, vanaf hier.”
Op de Europese markt heeft Geerlofs weinig last van de goedkopere Chinese installaties. Bij de vestiging in Kenia moeten ze wel opboksen tegen de Chinese concurrentie, want de klanten in Oost-Afrika zijn gevoeliger voor de lage prijzen, ondanks de kortere levensduur. „Maar ook daar blijven wij een van de grotere partijen.”
Nieuwe kansen in Zuid-Amerika en India
Vorig jaar nam Verbruggen uit Emmeloord een belang in een kleine onderneming in India. Een eerste stap om te kijken of die enorme markt nieuwe kansen biedt. Dat de EU in januari een handelsakkoord sloot, komt mooi uit. „Maar we moeten nog wel achterhalen wat het juiste product voor die markt is”, zegt Wouter Verbruggen. „In India zijn de lonen nog behoorlijk laag. Dan is het voor bedrijven niet zo snel interessant om te investeren in automatisering. Dan moeten we wel een product hebben met een bescheiden prijs. In India is vooral vraag naar kleinere modellen.”
Verbruggen is in 51 landen actief, een snelle groei voor een bedrijf dat in 1991 werd opgericht door twee broers, die een jaar later hun eerste palletiseermachine hadden ontwikkeld voor zakken aardappelen. In 2016 namen de zonen het familiebedrijf over. Alle machines ontwerpt het bedrijf zelf, ze worden geassembleerd in Emmeloord. Medewerkers reizen mee met de machines en installeren ze bij de agrarische bedrijven en andere klanten in de wereld. Er werken 150 mensen, de omzet van het bedrijf ligt volgens Verbruggen rond de 30 miljoen euro.
Juist vorig jaar, in het jaar dat de handelsoorlog startte, opende het een nieuwe duurzame bedrijfshal in Emmeloord, die meer vernieuwing en groei moest opleveren. Dan is het vervelend als het tegenzit in de grootste exportmarkt, de VS, en worden andere markten nog belangrijker.
Op kortere termijn verwacht Verbruggen meer van uitbreiding naar Zuid-Amerika, waar zijn bedrijf al langer actief is, dan van groei in India. Ook hier moet het handelsakkoord van de EU met de Zuid-Amerikaanse Mercosurlanden helpen. „Daardoor zien wij kansen, die ons verder in het zadel kunnen helpen. Maar het is op dit moment nog moeilijk te zeggen in hoeverre de nieuwe handelsakkoorden echt helpen om meer afzet te creëren.”
Ook Geerlofs uit Rotterdam is al jaren over de hele wereld actief. „Wij profiteren van de goede naam van de hele agrifoodsector van Nederland. Dan heeft er plots iemand in Oezbekistan of Kirgizië van ons gehoord en bellen ze op”, vertelt Blom.
Ook hij zegt met grote interesse naar de Zuid-Amerikaanse markt te kijken, door het verdrag dat de EU met de Mercosurlanden heeft gesloten. „Brazilië is voor ons altijd een heel moeilijk land geweest, dat heel beschermend was voor de eigen bedrijven. Wij kunnen nu makkelijker met klanten meetrekken, zoals nu een plantenkweker die in Brazilië een lab wil openen. Ook hebben we opdrachten voor labs in Colombia en Peru. Die labs kweken weer plantjes voor kwekers, die wij vervolgens ook als klant kunnen winnen”, vertelt Blom. „Zo kunnen we weer een nieuw geografisch afzetgebied ontwikkelen. En zo kunnen we dus ook om meneer Trump heen werken.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/18154714/190626ECO_2033766856_WEB_BEWERKT_Export15.jpg)



