Economie

In Japan zijn deze miniwagentjes doodnormaal (en voordelig) Europa wil ze ook: reuzehandig in propvolle steden

Op de parkeerplaats van de Kawasaki-paardenrenbaan, net buiten Tokio, staan kampeerwagens in keurige rijen opgesteld. Boven de voertuigen wapperen vlaggen met namen van autohandelaren uit heel Japan. Bezoekers schuifelen over het drukke terrein en praten met verkopers over opklapbare bedden en uitschuifbare keukentjes. Opvallend is het formaat van de voertuigen: het merendeel van de campers is kleiner dan een gemiddelde Europese personenwagen.

Puchi Kyan”, zegt Kiminari Kitagawara terwijl hij naar het vlaggetje boven zijn stand wijst, „is een afkorting van de Japanse woorden voor kleine camper.” Automonteur Kitagawara is eigenaar van Car Shop Assist, een garagebedrijf dat onder meer kampeerwagens bouwt. „We gebruiken deze naam speciaal voor onze lijn minicampers.”

Hij loopt naar een omgebouwde Suzuki Every, een compact tweezitsbusje dat in Japan vooral populair is bij pakketbezorgers en kleine ondernemers vanwege de verrassend grote laadruimte. „Als basis gebruiken we dit soort kei-auto’s.”

Wie ooit in Japan is geweest, herkent ze direct: ultracompacte bestelwagens, piepkleine stadsauto’s en hoekige busjes die zich door nauwe woonstraten wringen en parkeren op plekken waar normaal hooguit een scooter past.

Deze kei-auto’s, een afkorting van keijidōsha, letterlijk ‘licht voertuig’, zijn typisch Japanse mini-auto’s met motoren van maximaal 660 cc, waarbij ‘cc’ staat voor kubieke centimeter, een maat voor de motorinhoud. Die is in dit geval ongeveer de helft van een gemiddelde Europese stadsauto. Ook qua formaat gelden strikte regels, een kei-auto mag maximaal 3,4 meter lang en 1,48 meter breed zijn.

Golfkarretje

Omdat ze zo compact zijn, ogen de voertuigen voor buitenlandse bezoekers bijna als speelgoed, iets groter dan een golfkarretje, maar met een dak en deuren. In Japan zijn die afmetingen behoorlijk gunstig: de auto’s manoeuvreren moeiteloos door de smalle straten en nauwe parkeerplaatsen van dichtbebouwde steden. Inmiddels rijden er bijna 32 miljoen kei-auto’s rond in het land, goed voor ongeveer 40 procent van de markt. Hier zijn ze net zo alledaags als fietsen in Nederland.

En de belangstelling voor deze compacte auto’s groeit inmiddels ook buiten Japan. Tijdens een bezoek aan Japan sprak president Donald Trump online bewondering uit voor de kei-auto en zei hij vergelijkbare modellen in de Verenigde Staten te willen produceren.

Ook in Europa klinkt intussen de roep om kleinere en betaalbare auto’s steeds luider, mede omdat automodellen de afgelopen jaren almaar groter zijn geworden. Organisaties als het Wetenschappelijk Instituut voor Verkeersveiligheidsonderzoek waarschuwen al langer dat deze steeds minder passen bij de beperkte ruimte van Europese steden.

Een handvol autofabrikanten, zoals het in Amsterdam zetelende Stellantis, lobbyt inmiddels voor een Europese variant van de kei-auto. Met enig succes: commissievoorzitter Ursula von der Leyen pleitte vorig jaar voor compactere voertuigen in steden, en de Europese Commissie werkt aan nieuwe regelgeving voor een vergelijkbare voertuigcategorie.

„We maken onze auto’s niet groot en overdreven”, vertelt automonteur Kitagawara, terwijl hij alle extra’s aanwijst die hij in de mini-camper heeft geïnstalleerd. Een ingebouwde kraan met drinkbak voor een hond, daarnaast een airconditioner ter grootte van een bierkrat, gericht op de zitbank die kan worden uitgeklapt tot bed. En op het dak is een extra bagagerek gemonteerd.

Een ‘unieke categorie’

„Kei-auto’s zijn ontworpen om zo veel mogelijk te doen op zo min mogelijk ruimte. En binnen de beperkingen zijn Japanners opvallend creatief”, vertelt Yoshio Minegishi, beleidsmedewerker bij branchevereniging Zenkeijikyo. „Ze worden niet alleen gebruikt als mini-camper, maar ook als gezinsauto of bezorgwagen, als mobiele supermarkt, eetkraampje en zelfs als zorgvoertuig.” Dat zijn speciaal aangepaste auto’s waarmee minder mobiele ouderen of rolstoelgebruikers worden vervoerd.

Die multifunctionaliteit hangt volgens Minegishi nauw samen met de betaalbaarheid van de voertuigen. „De meeste gebruikers hebben een gezinsinkomen van minder dan 4 miljoen yen per jaar.” Dat is minder dan 22.000 euro, ongeveer een kwart lager dan het landelijke gemiddelde. „Zo’n auto moet dus niet alleen goedkoop zijn, maar ondanks het compacte formaat ook handig voor alles in het dagelijks leven, van kinderen ophalen tot boodschappen doen.” Minegishi rijdt om dezelfde reden ook in een kei-auto.

Ruim zeven op de tien Japanse huishoudens bezitten een personenauto, flink minder dan in Nederland, waar volgens het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid gemiddeld elk huishouden één auto bezit. Een reguliere nieuwe personenauto, vergelijkbaar met een Europese auto, kost in Japan gemiddeld circa 3,31 miljoen yen, omgerekend bijna 18.000 euro. Een nieuwe kei-auto is al verkrijgbaar vanaf ongeveer 1,8 miljoen yen, minder dan 10.000 euro.

„Ze zijn dus praktisch én betaalbaar”, verklaart Minegishi. „Dat heeft de verkoop al die jaren enorm gestimuleerd.” In 2025 werden er 1,69 miljoen verkocht.

Op de parkeerplaats in Kawasaki beaamt Kitagawara dat betaalbaarheid de belangrijkste reden is dat hij deze mini-campers bouwt. „Dit model kost maar 3,5 miljoen yen”, zegt hij, terwijl hij met zijn hand op het dak van de kleine Suzuki tikt – omgerekend zo’n 19.000 euro. „Voor een reguliere camper betaal je al snel 10 miljoen yen [55.000 euro], bijna het driedubbele.”

Steeds veiliger, steeds handiger

De kei-voertuigen zijn een erfenis van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, toen Japanse fabrieken na ontbinding van het leger noodgedwongen overschakelden van de productie van wapens naar die van bromfietsen en kleine auto’s.

Om deze overstap te stimuleren, bedacht het Japanse ministerie van Transport in 1949 de categorie ‘lichte voertuigen’. Simpel te maken wagens met maximaal 100 tot 150cc motorinhoud, vergelijkbaar met een lichte motorfiets. De overheid hoopte zo vervoer betaalbaar te maken in het arme naoorlogse land, waar een gewone auto voor de meeste gezinnen nog veel te duur was.

Maar de eerste kei-voertuigen sloegen nauwelijks aan. Het waren kleine twee- of driewielers die niet veel krachtiger waren dan een brommer, met een klein laadbakje of een dakje erop. Meer dan één of twee personen pasten er niet in, en ze waren te instabiel om er grote dingen mee te kunnen vervoeren.

„Pas in de jaren vijftig verschenen de eerste vierwielige modellen”, vertelt Minegishi van de branchevereniging. „Toen werd de motorlimiet verhoogd naar 360cc en konden automakers aan de slag met kei-auto’s die wel handig in gebruik waren.”

De doorbraak kwam in 1958 met de Subaru 360, een klein, bol mini-wagentje met ronde koplampen, ruwweg driekwart van de grootte van een moderne Volkswagen Golf. Die werd razend populair: voor veel Japanse gezinnen was het hun eerste betaalbare auto. In de jaren erna rolde het ene na het andere model van de productiebanden af.

De verkoop zakte tijdelijk in nadat het speciale kei-rijbewijs, dat vrij makkelijk te krijgen was, in 1968 werd afgeschaft en geleidelijk strengere autokeuringen werden ingevoerd. Maar in de jaren tachtig volgde een heropleving met modellen als de Suzuki Alto en Daihatsu Mira: hoekige mini-auto’s met dunne banden, schuiframen en eenvoudige interieurs, vooral populair bij kleine ondernemers. De meeste modellen werden alleen in Japan verkocht, omdat ze speciaal waren ontworpen volgens de Japanse kei-regels.

Toen de Japanse economie aan het einde van de eeuw in een recessie belandde, werden kei-auto’s nog populairder: de kleine motoren waren zuinig en goedkoop in gebruik vergeleken met die van reguliere auto’s. „Het interessante is dat er zelfs sportmodellen binnen deze categorie bestaan”, vertelt analist Masahiro Akita van Bernstein Group. „Door de lage economische groei in de jaren negentig bleef het beschikbare inkomen per huishouden beperkt. Dat heeft de vraag naar deze kleinere auto’s stabiel gehouden.”

Bovendien verbeterde ook de veiligheid sterk. Daihatsu introduceerde in 2012 als eerste een automatisch noodremsysteem dat kan ingrijpen als een botsing dreigt. „Daarna volgden de veiligheidssystemen elkaar snel op en werden ze steeds beter”, zegt beleidsmedewerker Minegishi. „Dat gaf ook het imago van de wagens een opkikker. Waar auto’s in veel landen juist steeds groter werden, bleef Japan inzetten op klein.”

De Japanse overheid koppelt autobelastingen sinds 2001 expliciet aan uitstoot en brandstofverbruik. Oudere en vervuilendere auto’s worden sindsdien extra belast, terwijl zuinige modellen belastingvoordeel krijgen. Sinds 2015 gelden die regels ook voor kei-auto’s, die door hun efficiënte motoren door het ministerie van Milieu worden gekenmerkt als een ‘relatief’ klimaatvriendelijke optie.

„Voor een gewone auto betaal je al snel 50.000 yen aan jaarlijkse motorrijtuigenbelasting. Voor een kei-auto is dat maar 10.800 yen”, vertelt automonteur Kitagawara – respectievelijk zo’n 270 euro en 60 euro. Ook aanschafbelasting en andere heffingen liggen aanzienlijk lager.

Overstap op elektrisch

Toch verloopt de overstap naar elektrische kei-auto’s, die op de weg géén uitstoot hebben, maar moeizaam. „Onze autofabrikanten investeerden jarenlang vooral in hybride technologie en werden daar wereldleider in”, zegt analist Akita. Daardoor bleef de druk om volledig elektrisch te gaan beperkt, niet alleen bij kei-auto’s, maar in de hele Japanse auto-industrie.

Nu de wereldwijde vraag naar elektrische auto’s groeit, brengen merken als Nissan, Honda en Toyota vooral elektrische modellen op de markt. Maar binnen Japan blijft de verkoop ervan tegenvallen en draaien veel fabrikanten verlies op hun elektrische segment.

„De prijs is het grootste probleem”, zegt beleidsmedewerker Minegishi. De Nissan Sakura, de populairste elektrische kei-auto van Japan, kost zo’n 2,6 miljoen yen, zo’n 14.000 euro. Dat is bijna de helft meer dan de gemiddelde verkoopprijs van een kei-auto. In 2025 werden er zo’n tienduizend verkocht. Ter vergelijking: van de populaire Honda N-Box, met benzinemotor, werden er bijna 200.000 afgerekend. Tegelijk komen betaalbare elektrische auto’s steeds vaker van Chinese bedrijven als BYD, dat inmiddels ook actief is in Japan.

Desondanks ziet analist Akita kansen voor Japanse elektrische kei-auto’s. „Omdat ze compacter zijn dan gewone personenwagens, hebben ze kleinere en dus goedkopere batterijen nodig.” Hij verwacht dat de technologie zich snel ontwikkelt en de markt verder groeit. „Meerdere fabrikanten hebben recent nog nieuwe modellen aangekondigd.”

En wat lang werd gezien als een typisch Japanse oplossing voor betaalbaarheid en dichtbebouwde steden, trekt nu ook in Europa aandacht. De Europese Unie werkt aan nieuwe regels voor kleinere en goedkopere elektrische stadsauto’s, geïnspireerd door de Japanse kei-auto. Die nieuwe M1E-categorie is nog in ontwikkeling, maar autofabrikant Stellantis kondigde inmiddels al aan vanaf 2028 een nieuwe lijn auto’s op de markt te willen brengen die binnen die regels passen. De voertuigen mogen volgens de plannen maximaal 4,2 meter lang zijn en moeten in Europa worden gebouwd.

Volgens beleidsmedewerker Minegishi dreigt Europa echter tegen dezelfde problemen aan te lopen als Japan. „Als betaalbaarheid het doel is, is direct volledig elektrisch gaan misschien niet de meest praktische oplossing.”

Automonteur Kitagawara is het daarmee eens. Hij ziet dat de aandacht in Japan voor elektrisch rijden toeneemt. Ook van de Suzuki Every waar hij tegenaan leunt, bestaat inmiddels een elektrische versie. Maar die kost bijna evenveel als zijn omgebouwde kampeerwagen, inclusief alle extra’s. „Onze klanten gebruiken onze kei-auto’s niet alleen om te kamperen, maar ook voor werk en boodschappen.” Volgens Kitagawara blijft de combinatie van prijs en gebruiksgemak daarom het belangrijkst voor klanten. „De realiteit is dat ik nog steeds vooral benzineauto’s verkoop.”





Related Articles

Back to top button