Verbod op verkoop van Solvinity, het bedrijf achter DigiD, blijft voorlopig van kracht

Het verbod op de verkoop van Solvinity, het bedrijf dat de technologie beheert waarop inlogdienst DigiD draait, wordt niet opgeschort. Dat heeft de Rotterdamse voorzieningenrechter deze dinsdag bepaald.
In mei besloot staatssecretaris Willemijn Aerdts (Digitale Economie en Soevereiniteit, D66) dat de voorgenomen verkoop van Solvinity aan de Amerikaanse onderneming Kyndryl „mogelijk een risico voor het publieke belang” zou vormen. Daarom verbood ze de transactie.
Solvinity en zijn grootaandeelhouder zetten daartegen niet alleen een bezwaarprocedure in gang. Ze vroegen de rechtbank Rotterdam in een spoedprocedure bovendien om het verbod – in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure – op te schorten. De staatssecretaris zou zich, suggereerden hun advocaten eerder deze maand in de rechtszaal, hebben laten „meeslepen door commotie in de media”.
In politiek en media had het nieuws dat Solvinity verkocht zou worden aan een Amerikaans bedrijf geleid tot onrust en bezorgdheid, over de mogelijkheid dat gevoelige persoonsgegevens van Nederlandse burgers daardoor in handen van de Amerikaanse overheid kunnen vallen. Met DigiD wisselen burgers veilig online gegevens uit met onder meer de Belastingdienst, pensioenfondsen, zorgverzekeraars en overheden.
Achter gesloten deuren
Ruim de helft van de zitting vond – op verzoek van zowel Solvinity als de staat – plaats achter gesloten deuren, in verband met de gevoeligheid van de kwestie. De rechter stelt nu dat hij niet overtuigd is van het spoedeisend belang van het verzoek van Solvinity om het verbod op te schorten. De staatssecretaris heeft tot eind september om op de bezwaarprocedure te reageren.
Solvinity zegt in een reactie dat het heeft „kennisgenomen van het feit dat de voorzieningenrechter niet volledig is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling”. Het bedrijf zegt dat het zich „blijft inzetten voor een oplossing die werkt voor zowel Solvinity als Nederland”.
Grootaandeelhouder van Solvinity is nu nog het Britse private-equitybedrijf Vitruvian Partners. Begin 2025 hebben de aandeelhouders van Solvinity „bij de overheid aangeklopt” met de vraag of zij Solvinity wilde overnemen, aldus een van hun advocaten in de rechtszaal. De overheid is daar niet op ingegaan.
De landsadvocaat wees er in de zitting op dat niet alleen de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens van burgers via DigiD en berichtenbox MijnOverheid in het geding zijn als de overname van Solvinity door het Amerikaanse Kyndryl zou doorgaan. Solvinity heeft ook „diepgaande toegang tot veel en (overwegend zeer) vertrouwelijke overheidsinformatie. Zo levert het bedrijf onder andere diensten aan het ministerie van Justitie en Veiligheid”.
De beoogde koper van Solvinity, Kyndryl, had zich niet aangesloten bij het verzoek tot schorsing van het verbod. In Nederland voert Kyndryl al een grote opdracht uit voor het ministerie van Defensie, voor de modernisering van de IT-infrastructuur. Volgens Solvinity en zijn aandeelhouders is Kyndryl actief „tot in de haarvaten van de Nederlandse krijgsmacht” en „een veilig huis” voor Solvinity.
Staatssecretaris op de vingers getikt
Een volledige overwinning voor de staatssecretaris is de uitspraak van de rechter overigens niet. In zijn vonnis tikt hij haar op de vingers voor de manier waarop zij vrijwel alle stukken in de zaak heeft willen afschermen van drie andere partijen die – naast de staat en Solvinity en diens grootaandeelhouder – door de rechter uitgenodigd waren om tijdens de zitting het woord te voeren. Dit waren drie stichtingen, de zogenoemde ‘algemeen belang organisaties’ The Firewall (eerder dit jaar opgericht onder het motto ‘Sta op tegen Big Tech’), Privacy First en Human Rights in Finance.
Het is aan de rechter, stelt deze in zijn vonnis, om te bepalen in welke mate partijen met het oog op een eerlijk proces over (deels) vertrouwelijke stukken moeten kunnen beschikken. Ook hekelt hij het feit dat de staatssecretaris „tegen beter weten in” heeft betoogd dat de drie stichtingen als derde partijen niet tot de procedure toegelaten mochten worden, omdat een deel van de informatie waarop haar verbod is gebaseerd vertrouwelijk van aard is.
De rechter verwijt de staatssecretaris een „weinig rechtstatelijke proceshouding”. Daaraan verbindt hij geen inhoudelijke consequenties, maar bepaalde wel dat de staatssecretaris moet opdraaien voor „de proceskosten van verzoeksters en derde partijen” en ook de door Solvinity en aandeelhouder betaalde griffierechten moet vergoeden.


