Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal ontspoorde: zeker 20.000 ouders kregen ten onrechte compensatie

Het ministerie van Financiën heeft minstens twintigduizend ouders ten onrechte aangemerkt als slachtoffer van het Toeslagenschandaal. Zij hebben zonder goede reden 30.000 euro of meer schadecompensatie van de overheid gekregen. Dat zeggen zeven bronnen die nauw betrokken waren bij de beoordeling van deze toeslagenouders.
Hoge ambtenaren en verantwoordelijke politici negeerden de afgelopen jaren meermaals interne waarschuwingen dat de overheid een grote groep ouders onterecht als gedupeerd erkende. Daardoor zou de hulp voor échte slachtoffers van onrechtvaardig overheidshandelen vertragen. Dat blijkt uit interne mails en memo’s die NRC inzag en gesprekken met de bronnen.
In een reactie weerspreekt het ministerie de bevindingen van NRC niet expliciet maar stelt het dat er „zonder alle individuele dossiers opnieuw te beoordelen […] geen gefundeerde conclusie” is te trekken over hoeveel ouders onterecht als slachtoffer zijn bestempeld.
In 2018 werd bekend dat de Belastingdienst ontvangers van kinderopvangtoeslag jarenlang onterecht als fraudeur had bestempeld. Die kregen daarna te maken met hoge en nietsontziende terugvorderingen. Gezinnen konden hierdoor in grote financiële problemen raken, met scheidingen of uithuisplaatsingen als gevolg. Het kabinet besloot in 2020 de slachtoffers te compenseren. Aanvankelijk rekende het kabinet op enkele duizenden gedupeerden. Uiteindelijk werden 44.000 mensen als gedupeerde erkend.
Meer dan twintigduizend van deze ouders werden als slachtoffer aangemerkt omdat de Belastingdienst hun toeslag zonder waarschuwing zou hebben stopgezet via een ‘stopbrief’. Omdat de overheid ouders geen kans had gegeven hun recht op toeslag te bewijzen, was sprake van „vooringenomenheid”. Daardoor hadden ze recht op compensatie. Volgens een interne nota was dit „de meest voorkomende reden om tot compensatie te komen”.
Al vanaf het begin van de hersteloperatie waarschuwden medewerkers van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) dat bij deze groep van vooringenomenheid helemaal geen sprake was. Deze mensen waren dus ook geen slachtoffer van het Toeslagenschandaal. UHT is de crisisorganisatie van Financiën die schadevergoedingen voor toeslagenouders vaststelt.
Uit interne brievenadministraties bleek namelijk dat de Belastingdienst nooit zomaar een ‘stopbrief’ stuurde. Ouders van wie informatie ontbrak om hun recht op toeslag vast te stellen, kregen eerst twee keer een brief met de vraag die informatie alsnog op te sturen. Zij moesten dan bijvoorbeeld een jaaropgave van een erkende kinderopvang inleveren, waaruit bleek hoeveel uren hun kinderen daar hadden gezeten, en wat daarvan de kosten waren.
Pas daarna kwam de stopbrief, met een aankondiging dat zonder die informatie de toeslag zou worden stopgezet. Ook dan werd de toeslag niet definitief stopgezet: als ouders in bezwaar gingen en alsnog de gevraagde informatie leverden, behielden ze hun recht op toeslag. Iets wat veel ouders ook deden.
Begin dit jaar concludeerde de Auditdienst Rijk (ADR, de huisaccountant van het Rijk) na onderzoek dat er geen twijfel was over de juistheid van deze brievenadministratie. Uit een steekproef bleek dat alle ouders die een stopbrief kregen, ook de eerdere brieven hadden ontvangen.
Volgens medewerkers werden interne critici genegeerd, kregen ze geen contractverlenging of verlieten ze uit onvrede de organisatie
Staatssecretarissen die de afgelopen jaren verantwoordelijk waren voor de hersteloperatie, wisten dat de brievenadministratie bestond, maar blokkeerden het gebruik ervan door UHT. Zonder de administratie te onderzoeken, werd aangenomen dat zij niet compleet was, er niet toe deed of dat het gebruik ervan niet paste bij „de achtergrond van de hersteloperatie” – namelijk dat de overheid ouders slecht had behandeld, en dat ouders die zich als slachtoffer meldden dat ook waren.
Volgens kritische medewerkers wilden de verantwoordelijke topambtenaren en politici niet toegeven dat een groot deel van de hersteloperatie op drijfzand was gebaseerd, en dat aan allerlei ouders die er geen recht op hadden compensatie werd uitgekeerd. Ook waren de verantwoordelijken volgens deze medewerkers bang voor het verwijt dat de overheid opnieuw te streng zou zijn voor getroffen ouders – en dus niets had geleerd van het Toeslagenschandaal. Volgens medewerkers werden interne critici genegeerd, kregen ze geen contractverlenging of verlieten ze uit onvrede de organisatie.
In zijn reactie schrijft het ministerie dat aan het begin van de hersteloperatie de „breed gedeelde aanname ontstond” dat de brievenadministratie onvolledig zou zijn. Daarom werd ervoor gekozen het ouderverhaal leidend te maken, een „aanpak die mede op instigatie van de Kamer is vormgeven”. Ouders die zeiden nooit een brief vóór de stopbrief te hebben ontvangen, werden dus geloofd. Hoewel er door de jaren heen wel „signalen” waren dat die aanname onjuist was, werden deze niet gezien als „concrete aanwijzingen” dat er mogelijk nog wel een brievenadministratie was.
Een ‘lichte toets’ voor gedupeerden
Hoe kon het zover komen? Begin december 2020 hoort een medewerker van UHT dat bij de afdeling Centraal Administratieve Processen (CAP) van de Belastingdienst in Apeldoorn allerlei informatie ligt over brieven met verzoeken om informatie die toeslagenouders hebben ontvangen. De medewerker vindt dat interessant – binnen UHT wordt namelijk verondersteld dat versturen van die brieven niet te bewijzen is. Ouders die zeggen dat hun toeslag zonder waarschuwing werd stopgezet, hebben daarom onmiddellijk recht op compensatie.
Maar wat nu als ouders wél de kans hebben gekregen die info te leveren, en zelfs meermaals?
De medewerker mailt een zogeheten ‘vaktechnisch coördinator’. Deze collega’s zijn binnen UHT verantwoordelijk voor de juridisch correcte uitvoering van de hersteloperatie. Moeten we de brievenadministratie niet gebruiken bij het oordeel of iemand slachtoffer is, vraagt de medewerker. „Deze issue komt bij veel ouders voor.”
In de mail beschrijft de medewerker hoe minutieus elke stap van het brievenproces is vastgelegd. Dat is ook logisch: een van de kerntaken van de Belastingdienst is gigantische hoeveelheden standaardbrieven opsturen; elke belastingbetaler krijgt er jaarlijks een paar in de bus. Om te voorkomen dat de dienst bij juridische procedures verzeild raakt in eindeloze discussies over de vraag of een belastingbrief wel of niet is aangekomen, wordt dit nauwgezet gedocumenteerd.
Maar de vaktechnisch coördinator antwoordt dat „ervoor is gekozen” deze brievenadministratie in de hersteloperatie niet te gebruiken. Want dan zou de UHT ook nog moeten bewijzen dat de ouder de gewenste informatie niet heeft aangeleverd. Dat is onmogelijk, schrijft de coördinator: er zijn gevallen bekend waarin een ouder aantoonde dat informatie was gestuurd, terwijl die niet in de computersystemen zat.
Betrokken medewerkers vinden het een rare redenering: hoe kunnen ouders die beweren dat ze geen brief hebben gekregen voordat hun toeslag werd stopgezet, tegelijkertijd verklaren dat ze informatie waar die brief om vroeg wel hebben opgestuurd?
De hersteloperatie zal kort daarna ontsporen. Een dag na de mailwisseling maakt het kabinet-Rutte III onder druk van de Tweede Kamer de zogenoemde Catshuisregeling bekend: iedereen die na een ‘lichte toets’ slachtoffer lijkt te zijn, krijgt sowieso 30.000 euro, ook als de echte financiële schade minder was of als iemand na uitgebreidere controle geen slachtoffer blijkt te zijn.
Op dat moment hebben zich bijna 10.000 ouders aangemeld. Binnen een paar maanden komen daar nog eens 30.000 mensen bij, veel meer dan de enkele duizenden gedupeerden waarop het kabinet had gerekend. Uiteindelijk zullen zich bijna 70.000 mensen melden, van wie UHT circa 44.000 als slachtoffer erkent. Al snel blijkt dat UHT deze aantallen niet vlot genoeg kan verwerken. De medewerkers – die veelal bij de organisatie kwamen werken omdat ze wilden helpen – verdrinken in dossieropbouw en bezwaarprocedures.
Een groot deel van deze ouders werd alleen vanwege het ontvangen van een stopbrief als slachtoffer erkend, blijkt uit informatie over individuele casussen die NRC inzag. Bij een substantieel aantal was zelfs geen sprake geweest van een terugvordering, omdat zij na ontvangst van de stopbrief wél de gewenste informatie leverden en hun toeslag daarmee veiligstelden.
Sommige ouders kregen op grond van de aangeleverde informatie zelfs méér toeslag uitgekeerd. De geleden ‘schade’ bestond uit niet meer dan correspondentie met de Belastingdienst, vaak jaren geleden. Toch kregen zij allemaal minstens 30.000 euro, werden hun schulden kwijtgescholden, ontvingen zij ondersteuning van hun gemeente en kwam elk van hun kinderen in aanmerking voor maximaal 10.000 euro schadevergoeding.
Gemiddeld ontvingen erkende slachtoffers zo 110.000 euro, aldus het ministerie. Als de brievenadministratie vanaf het begin van de hersteloperatie was gebruikt, had dat zeker honderden miljoenen euro’s aan onterecht uitgekeerde schadevergoedingen gescheeld.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/06/12120849/150626OND_2032977798_WEB_ILLU_Toeslagenschandaal-2_XF-M.jpg)
Hulp aan echte slachtoffers loopt vast
Dat de overheid aan deze ouders schadevergoedingen uitkeert, zorgt intern voor toenemende weerstand. In maart 2022 komen de twaalf ‘vaktechnisch adviseurs’, die binnen herstelorganisatie UHT toezien op de uitvoering van het beleid, bijeen in een zaaltje in Amersfoort. De twaalf zien hoe de operatie uit de bocht vliegt. UHT erkent zóveel mensen onterecht als slachtoffer dat juist de hulp aan de zwaarst gedupeerde gezinnen dreigt vast te lopen.
Mensen die zeggen dat hun kinderopvangtoeslag zonder enige waarschuwing is stopgezet en teruggevorderd, worden „in vrijwel alle gevallen” als slachtoffer erkend. Volgens de vaktechnisch adviseurs is dat niet terecht. Ze „kunnen zich niet verenigen” met deze werkwijze, schrijven ze hun managers.
Het gaat hier immers niet om de mensen met wie het Toeslagenschandaal begon: ouders die hard en oneerlijk door de Belastingdienst zijn aangepakt omdat er onbewezen vermoedens van fraude waren. Deze ouders kregen gewoon de gebruikelijke standaardbrieven, die sinds de invoering van het toeslagenstelsel in 2006 miljoenen keren zijn verstuurd. Elke burger die toeslag krijgt, moet nu eenmaal aantonen dat hij of zij aan de voorwaarden voldoet.
Ontvangers van kinderopvangtoeslag die niet reageerden op meerdere informatieverzoeken, zijn dus geen slachtoffer van een vooringenomen aanpak bij de Belastingdienst, menen de medewerkers. Want als je na drie onbeantwoorde verzoeken om bewijs een toeslag niet kan stopzetten, wanneer dan wel?
Natuurlijk zien de medewerkers wel leed bij ouders. Dat komt vaak door persoonlijke omstandigheden – schulden, een scheiding, ziekte of ontslag. Ze zien ook mensen die niet goed weten hoe het stelsel werkt, en die verdwalen in de administratieve verplichtingen. Maar dat is allemaal niet de schuld of verantwoordelijkheid van de Belastingdienst, en al helemaal niet het gevolg van een slechte behandeling door de overheid.
De medewerkers kaarten de kwestie in het voorjaar van 2022 meermaals aan bij hun leidinggevenden, maar dat haalt niets uit. In september schrijven ze hun zorgen op in een reeks memo’s. Ze zien dat hun collega’s „steeds meer dossiers tegenkomen waarbij er geen sprake is van gedupeerdheid” maar waar ze alsnog compensatie moeten uitbetalen aan ouders die „onzes inziens onterecht als gedupeerde worden aangemerkt”, schrijven de vaktechnisch adviseurs.
Op deze manier worden zoveel mensen als slachtoffer erkend dat de behandeltermijn van dossiers telkens verder oploopt. Volgens de adviseurs gaat dat „ten koste van het tijdig kunnen helpen van de echt gedupeerden”.
In november 2024 ligt op het bureau van staatssecretaris Nora Achahbar (Toeslagen, NSC) een vijf pagina’s tellend intern memo over de brievenadministratie bij de Belastingdienst. Achahbar is dan net een paar maanden in functie. Eindelijk, vier jaar na de eerste waarschuwingen, is die zomer intern onderzoek naar de brievenadministratie ingesteld. Dat gebeurde nadat medewerkers opnieuw hadden gewezen op de grote aantallen ouders die onterecht als slachtoffer werden erkend.
De brievenadministratie is professioneel, goed gedocumenteerd en volledig, concluderen de ambtenaren die de kwestie hebben onderzocht. De „brede gedachte” dat er geen goede administratie was, vegen ze van tafel. Dat dit verhaal intern werd rondverteld, kan volgens de schrijvers van het memo alleen betekenen dat de zaak eerder niet goed onderzocht is. Nu blijkt dat ouders die eerdere brieven wel hebben gehad, heeft dat „een grote impact” op de beoordeling of ze slachtoffer zijn of niet.
Tot grote urgentie bij de top van het ministerie leidt dat niet. UHT-directeur Anne Coenen deelt in februari 2025 de conclusies uit het memo met collega’s. „We hadden allemaal veel liever gehad dat we helemaal aan het begin geweten hadden van deze bestanden”, zegt ze tijdens een videovergadering. „We vragen ons ook wel af: hoe kan het eigenlijk dat we daar pas zo laat achter zijn gekomen?” Dat tijdens de hersteloperatie mogelijk duizenden mensen ten onrechte als gedupeerde zijn erkend, noemt ze „best ingewikkeld”.
Staatssecretaris haalt bakzeil
Maar pas nadat NRC in maart 2025 over de zaak heeft gepubliceerd, kondigt staatssecretaris Sandra Palmen (NSC) – opvolger van Achahbar – extern onderzoek door de Auditdienst Rijk (ADR) aan.
Zelfs dan wordt op hoog ambtelijk niveau nog twijfel gezaaid over de brievenadministratie. Een naaste adviseur van Palmen mailt betrokken topambtenaren dat in de Kamerbrief over de kwestie niet over een „administratie” moet worden gesproken, omdat de verzenddata onbetrouwbaar zouden zijn. Palmen zelf, mailt een medewerker aan collega’s, zegt in een intern overleg dat de brievenadministratie „nooit doorslaggevend kan zijn” omdat het alleen „een soort postboek” is, en het niet duidelijk is of mensen op die brieven hebben gereageerd.
Ondanks de verwachting dat het onderzoek snel kan worden afgerond, duurt het negen maanden – tot december 2025 – voordat de ADR een eerste conceptrapport af heeft. En daarna nog vier maanden voordat Palmen het onderzoek naar de Tweede Kamer stuurt.
Het rapport van de ADR laat niets aan duidelijkheid te wensen over: de systemen van de Belastingdienst bevatten „een juiste en volledige verzend- en ontvangstadministratie”. In een reactie moet staatssecretaris Sandra Palmen toegeven dat de administratie relevant was geweest bij het beoordelen van slachtofferschap. Volgens het ministerie heeft het niet gebruiken van de database „mogelijke gevolgen voor de rechtmatigheid” van de uitgekeerde compensaties. „Als deze informatie wel tijdig bekend en gebruikt was geweest, had dit mogelijk invloed kunnen hebben op gesprekken met ouders over hun gedupeerdheid”, schrijft het ministerie in de reactie.
Voor de hersteloperatie komen de conclusies te laat: UHT heeft bijna alle mogelijke slachtoffers al beoordeeld. Het kabinet is niet van plan geld terug te vorderen bij ouders die eigenlijk niet gedupeerd waren, of uit te zoeken hoeveel geld er onrechtmatig is uitbetaald. Deze ouders kunnen ook aanspraak blijven maken op aanvullende schaderegelingen. „We willen ouders niet in onzekerheid brengen, maar juist het vertrouwen herstellen.”


