De beste klimaathulp is vaak niet sexy, want niet zichtbaar genoeg
Klimaatverandering weet ons, mensen, steeds gemakkelijker te vinden. Hittegolven worden extremer en onvoorspelbaarder, de zeespiegelstijging versnelt, bosbranden worden heftiger, zowel droogte als zware neerslag richt meer schade aan, zout zeewater dringt dieper het land binnen. Aanpassing aan al deze gevolgen van de opwarming is belangrijker dan ooit, zeker omdat het terugdringen van broeikasgassen, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord van Parijs, niet gebeurt in het vereiste tempo.
Onlangs hebben klimaatwetenschappers nog becijferd dat het koolstofbudget voor een opwarming van maximaal anderhalve graad (in vergelijking met het gemiddelde bij het begin van de industriële revolutie) binnen een paar jaar op is. En die anderhalve graad wordt gezien als een kritieke grens om erger te voorkomen.
Voor Brazilië, het gastland van de klimaattop in november van dit jaar, is dit een reden om de conferentie in het teken te plaatsen van adaptatie, het weerbaar maken van samenlevingen tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Zonder risico is die Braziliaanse keuze niet. Want adaptatie is een uiterst gevoelig thema. Jarenlang wilden onderhandelaars het er liever niet over hebben, omdat het leek op een capitulatie, een teken dat de wereld onvoldoende in staat is om de oorzaak van klimaatverandering weg te nemen. Zonder mitigatie, zoals vermindering van broeikasgassen wordt genoemd, voelde nadenken over adaptatie als dweilen met de kraan wagenwijd open.
Lastig uit te leggen
Dat was niet de enige reden waarom in het mondiale klimaatoverleg tot voor kort nauwelijks over adaptatie wordt gesproken. Onderhandelingen gaan doorgaans over verantwoordelijkheid voor klimaatverandering, en die vertaalt zich in geld. Anders gezegd: in financiële steun van rijke landen aan klimaatbeleid in arme landen. Dat kan voor politici in die rijkere landen lastig uit te leggen zijn.
Ontwikkelingslanden helpen bij vermindering van de uitstoot van broeikasgassen dient ook het eigenbelang: of de CO2 wordt gereduceerd in Kenia of in Nederland, maakt voor het klimaat niet uit. Nederland profiteert dus ook van CO2-reductie in Kenia – heel concreet zelfs, want een rijk land dat emissiereducties in het buitenland realiseert, mag die veelal op het eigen conto schrijven. Voor de financiering van projecten die een land minder kwetsbaar maken voor de gevolgen van klimaatverandering, geldt dat niet.
De voordelen van dit soort adaptatieprojecten – of het nu gaat om een versterkte dijk, een veerkrachtiger landbouwsysteem of een overstromingsbestendige infrastructuur – zijn vooral lokaal. Adaptatiegeld lijkt erg op ontwikkelingshulp en is vooral een morele kwestie.
Wat het nog ingewikkelder maakt is, dat het succes van klimaatadaptatie vaak moeilijk valt te meten. Mitigatie heeft één helder, kwantificeerbaar doel: reductie van de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer, uit te drukken in tonnen CO2. Bij adaptatie is het doel per project anders. Dat maakt rijke landen en zeker ook het bedrijfsleven huiverig om erin te investeren. Het doet er niet zoveel toe dat iedere dollar voor bijvoorbeeld kustbescherming in een ontwikkelingsland maar liefst 14 dollar aan economische schade kan voorkomen, zoals de UNEP, het milieuprogramma van de Verenigde Naties, twee jaar geleden becijferde in zijn jaarlijkse Adaptation Gap Report.
Meer kennisoverdracht
In een scherp opiniestuk in het wetenschappelijk tijdschrift Science pleitte Jasper Verschuur, universitair docent klimaat en veiligheid aan de Technische Universiteit Delft, samen met collega’s van de universiteit van Oxford en de Londen School of Economics, twee weken geleden voor een andere aanpak van het mondiale adaptatiebeleid, dat zich minder richt op kwantiteit en meer op kwaliteit.
Verschuur schetst in een videogesprek hoe het nu vaak gaat. „De Wereldbank, of een andere ontwikkelingsbank, gaat met een overheid in gesprek, bijvoorbeeld die van Bangladesh, Vietnam of de Filippijnen, over een nieuw project, zoals het versterken van een dijk om overstromingen te voorkomen of een nieuw irrigatieproject tegen toenemende droogte. Het land vraagt vervolgens een lening aan bij de Wereldbank, die ook de bijbehorende technische ondersteuning biedt – voor het bouwen van dijken zijn dat vaak Nederlandse consultants, vanwege hun kennis over rivierdelta’s.”
De uitvoering gebeurt meestal wel door lokale aannemers, zegt Verschuur, die zelf ook voor een ontwikkelingsbank heeft gewerkt. „Als het project klaar is, vertrekt de Wereldbank, zijn we 100 miljoen dollar verder, staat er een dijk of is de irrigatie verbeterd en zijn de consultants weer weg. Maar dan? Is er nu echt bijgedragen aan klimaatadaptatie? Kan de overheid van Bangladesh voortbouwen op de kennis en voortaan zelf nieuwe projecten aanwijzen, risico’s inschatten, prioriteiten stellen? Dat blijkt vaak niet zo te zijn.”
Volgens Verschuur zouden projecten veel meer gericht moeten worden op kennisoverdracht en het opbouwen van capaciteit. Maar dat is, simpel gezegd, minder sexy. Het duurt langer, levert minder snel rendement op en, hoe gek het ook klinkt, het is te goedkoop. „Een ontwikkelingsorganisatie die miljoenen wil uitgeven aan klimaatadaptatie doet dat eerder in een zichtbaar, maar duur wegenbouwproject of een dijkverzwaring, dan in het jarenlang begeleiden van lokale weerinstituten en andere overheidsinstellingen.”
Eilandjes opgeven
Het inzetten van wetenschappelijke kennis om adaptatiedoelen te bereiken is belangrijk, maar uiteindelijk gaat het toch ook om geld. Verschuur was betrokken bij een onderzoek naar de noodzaak van adaptatie op de Malediven. „Er werd breed gekeken naar de gevolgen van klimaatverandering voor het laag gelegen eilandstaatje. De risico’s werden in kaart gebracht en wat er allemaal nodig was om die te verminderen. Maar voor de overheid zijn deze plannen op korte termijn helemaal niet realistisch als gevolg van de financiële situatie.”
De Malediven besteden al een fors deel van hun bruto binnenlands product aan het terugbetalen van oude leningen – vooral aan India en China. Ze hebben domweg niet het geld om hun land voldoende te beschermen, zegt Verschuur. „Ze gaan nu heel gericht adaptatie uitvoeren op plekken die zij belangrijk vinden. Dat is vooral op het hoofdeiland. In hun adaptatieplan staat bijvoorbeeld dat ze bereid zijn een aantal kleine, afgelegen eilanden in de toekomst op te geven.”
Op de klimaattop in Bakoe, Azerbeidzjan, is eind vorig jaar afgesproken dat de rijke landen, die de klimaatverandering hebben veroorzaakt, vanaf 2035 zo’n 300 miljard dollar beschikbaar stellen voor klimaathulp aan arme landen, die daarvan het eerste slachtoffer zijn. Dat bedrag is voor mitigatie en adaptatie samen. Het is volgens de Verenigde Naties niet alleen veel te weinig (volgens experts is een bedrag van 1.300 miljard dollar nodig). Een groot deel van het geld wordt, tegen alle beloftes in, niet verstrekt als een gift maar als een lening. Landen die hun oude leningen al niet kunnen terugbetalen, hebben daar weinig aan.



